Met de volgende onderwerpen:
- 1e humane melding van tularemie
- incidentie van een aantal zoönosen
- humane en aviaire influenza

logo Twents Netwerk ZoönosenDaarnaast wijzen wij u graag op de volgende (nieuws)artikelen:

Wij wensen u veel leesplezier en een gezond 2019!

1e humane melding van tularemie in Twente in 2018

Tularemie bij mensen

Tularemie wordt veroorzaakt door de bacterie Francisella tularensis. Er zijn meerdere subspecies waarvan de Holartica in Europa voorkomt. De bacterie is al bij een lage dosis infectieus en kan in een vochtig milieu maandenlang infectieus blijven. Tularemie kan zich uiten in verschillende ziektebeelden. Het meest voorkomende beeld in Europa is een ulcus en/of regionale lymfeklierzwelling. De incubatietijd is 1-14 dagen, meestal 3-5 dagen.

twee foto's van handen met een tularemie-ontstekingGewoonlijk begint de ziekte met koorts, hoofdpijn, spierpijn en keelpijn. Binnen 24 tot 48 uur verschijnt er een ontstoken blaar op de plaats van infectie, meestal een vinger, arm, oog of het gehemelte. Omdat de ziekte zeldzaam is en de klachten verward kunnen worden met andere aandoeningen (anthrax) is het moeilijk om de diagnose te stellen. Niet iedereen wordt ziek na een besmetting. Of iemand ziek wordt hangt af van het type bacterie, de hoeveelheid bacteriën die in het lichaam zijn gekomen, de immuun status en de wijze van besmetting.

Tularemie is goed te behandelen met antibiotica. Ook al kunnen symptomen wekenlang aanhouden, de meeste patiënten herstellen volledig.

Tularemie bij dieren

Hazen en knaagdieren vertonen bij tularemie verschijnselen van lethargie, een opstaande vacht, verminderde eetlust en “dronken“ gedrag. Het ziektebeeld bij andere diersoorten is afhankelijk van de gevoeligheid voor deze infectie en varieert vrijwel geen symptomen tot een ernstige bloedvergiftiging. Verschijnselen die kunnen optreden zijn onder andere koorts, stilzitten, verminderde eetlust, stijfheid en algehele malaise. Hoesten of diarree kunnen ook voorkomen. Opvallend is vaak een verdikking van de lymfeknopen vlak bij de plaats waar de bacterie via wondjes of insectenbeten via de huid is binnengedrongen. Bij honden zijn de ziekteverschijnselen meestal mild. Onder landbouwhuisdieren is incidenteel melding gemaakt van tularemie, maar onduidelijk is of deze dieren besmet kunnen raken met het type F. tularensis dat in Europa voorkomt. Schapen zijn waarschijnlijk gevoeliger voor deze infectieziekte. De incubatietijd is één tot tien dagen.

Wanneer tularemie is vastgesteld bij huisdieren kan behandeling met antibiotica worden overwogen, maar voor zover bekend herstellen de dieren vanzelf binnen een paar dagen.

Transmissie

Konijnen, hazen en knaagdieren (vooral woelmuizen) vormen het belangrijkste reservoir. De drie belangrijkste transmissieroutes voor mens en dier zijn:

  • direct contact met een besmet dier: bijvoorbeeld het hanteren van een besmet dier (villen) of eten van onvoldoende verhit vlees van een besmet dier
  • vanuit besmet milieu (grond en water): drinken van besmet oppervlakte water of inademen tijdens maaien of hooien
  • insectenbeten zoals een beet van een besmette teek, mug of daas

De ziekte is niet van mens op mens overdraagbaar.

Meldplicht

Tularemie bij mensen is sinds november 2016 een meldingsplichtige ziekte. Voor tularemie bij dieren bestaat al langer een meldplicht. Zieke of dood gevonden hazen of andere in het wild levende dieren kunnen worden gemeld bij het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC). Draag handschoenen en een mondkapje bij aanraken van dode dieren en was hierna uw handen met water en zeep.

Eerste casus tularemie in Twente sinds 1953

In 1953 is er in Limburg een gezin geweest dat een met tularemie besmette haas heeft gegeten, meerdere gezinsleden hebben daardoor tularemie opgelopen. Tussen 1953 en 2011 is er geen tularemie vastgesteld in Nederland, wel in de landen om ons heen. Sinds 2011 zijn er in Nederland elk jaar een aantal patiënten met tularemie gemeld, daarnaast zijn er ook meerdere positieve hazen en watermonsters geweest (waarvan 1 positieve haas in Twente in 2015).

In september 2018 is er een patiënt in Twente met tularemie gemeld. Het betrof het 1e humane geval in Twente sinds 1953. De patiënt kreeg eerst koorts en na 5 dagen ontstond er een wondje op de heup met een zwarte korst, eromheen zat een rode plek. De huisarts dacht eerst aan antrax en heeft daarop diagnostiek aangevraagd. Het Laboratorium Microbiologie Twente Achterhoek heeft in het BSL3 lab geen antrax vastgesteld maar wel werd de kweek voor tularemie positief, welke de arts-microbioloog vanuit differentiaal diagnostisch oogpunt in had laten zetten. Hierna is GGD Twente direct ingelicht.

GGD Twente heeft contact met de patiënt gezocht voor brononderzoek. De patiënt woonde in het buitengebied en was hobbyboer. Patiënt was inmiddels herstellende na een antibioticakuur. Hij had geen haas gezien en had ook geen contact gehad met andere mogelijke bronnen. Patiënt kon niet uitsluiten dat hij door een insect gestoken was. De uitkomst van het brononderzoek bood helaas geen aanknopingspunten om verder onderzoek te doen naar mogelijke bronnen.

In november van dit jaar kwam er van de NVWA een melding dat er een met tularemie besmette haas was gevonden in de omgeving waar de patiënt woont. Het RIVM heeft besloten in de omgeving verder onderzoek te doen naar o.a. oppervlaktewater. De resultaten worden begin januari verwacht.

Verder lezen

Op de site van Wageningen University & Research over "Tularemie (hazenpest)", inclusief afbeelding met spreiding in tijd en ruimte van autochtone bevestigde tularemie-gevallen in Nederland (2011-2016).

 

Zoönosen in aantallen

Meldingsplicht

Een aantal zoönosen zijn meldingsplichtig wanneer zij bij mensen worden vastgesteld. Deze aantallen zijn in te zien op atlasinfectieziekten.nl.

Hier de incidentie (per 100.000 inwoners) voor een aantal zoönosen voor Twente en Nederland. Voor 2018 geldt dat het gaat om cijfers t/m november 2018.

Grafiek incidentie psittacode per honderdduizend inwoners in 2016, 2017 en 2018. In Nederland: 0,3 0,3 0,3. In Twente 0,5 0,2 0,5.

Grafiek incidentie hantavirus per honderdduizend inwoners in 2016, 2017 en 2018. In Nederland: 0,2 0,3 0,2. In Twente 1,8 1,9 3,0.

Grafiek incidentie leptospirose per honderdduizend inwoners in 2016, 2017 en 2018. In Nederland: 0,6 0,4 0,2. In Twente 0,2 0,3 0,2.

Grafiek incidentie Q-koorts per honderdduizend inwoners in 2016, 2017 en 2018. In Nederland: 0,1 0,1 0,1. In Twente 0,0 0,0 0,6.

Grafiek incidentie STEC per honderdduizend inwoners in 2016, 2017 en 2018. In Nederland: 3,4 2,3 2,5. In Twente 7,0 6,2 4,0.

 

 

Rabiës

GGD Twente wordt ook regelmatig gebeld, omdat iemand risico heeft gelopen op rabiës. In Nederland hebben we het dan meestal over mensen die contact hebben gehad met een vleermuis. Wanneer iemand risico heeft gelopen in een ander land, gaat het om veel verschillende soorten dieren.

Rabiës-risico gelopen

  • 2016: in Nederland 4; in het buitenland 20
  • 2017: in Nederland 4; in het buitenland 8
  • 2018: in Nederland 8; in het buitenland 12

 

Humane en aviaire influenza, geen goede combi

De afgelopen jaren is de jaarlijkse griepepidemie 'gewoon' geworden. Als preventie krijgen specifieke groepen mensen via hun huisarts of werkgever een uitnodiging om zich te laten vaccineren tegen influenza. Voor sommigen met de reden dat zij zelf op die manier minder risico lopen op influenza, voor anderen met de reden dat zij anderen kunnen beschermen door zelf niet ziek te worden.

Een doelgroep die ook het advies krijgt om zich te laten vaccineren tegen de griep zijn de pluimveehouders en varkenshouders en de werknemers die op deze bedrijven werken. STIGAS: De griepprik raden we iedereen aan die werkt in de pluimveehouderij, varkenshouderij en de agrarische bedrijfsverzorging. Dit is ook in het belang voor de volksgezondheid, mocht er onder de dieren vogel- of varkensgriep uitbreken. Als bij één persoon tegelijkertijd een infectie voorkomt van zowel de gewone griep als de vogel- of varkensgriep, kan een nieuw virustype ontstaan. Dit is onwenselijk. (Bron: stigas.nl)

In het draaiboek van het Landelijk Centrum Infectieziekten (LCI) van het RIVM staat beschreven waarom dit mogelijke ‘contact’ tussen een humaan influenzavirus en een dierlijk influenzavirus ook voorkomen dient te worden.

Daarnaast loopt de gehele samenleving een klein risico op de ontwikkeling van een nieuwe variant pandemisch influenzavirus, namelijk door mutaties of vermenging van virustypes als de desbetreffende persoon tegelijk is geïnfecteerd met een humaan influenzavirus en een dierlijk influenzavirus (reassortment). Een dergelijke nieuw virustype kan dan van mens op mens overdraagbaar worden en zo leiden tot een grieppandemie. Dit risico is het grootst tijdens het ‘reguliere griepseizoen’. (Bron: concept draaiboek Aviaire influenza op een bedrijf, LCI/RIVM)

Toch zijn er voor varkens- en pluimveehouders geen afspraken over het jaarlijks aanbieden van een griepvaccinatie!

twee loslopende kippenIn dezelfde periode dat in Nederland griep onder mensen voorkomt zien we de afgelopen jaren ook de vogelgriep voorkomen. Berichten over ruimingen op pluimveebedrijven haalden vorig jaar regelmatig het nieuws, al hebben we in Twente tot nu toe nog geen ruimingen gehad. Bij deze ruimingen zijn veel partijen betrokken. Allereerst natuurlijk de houder (en zijn werknemers) maar ook de aan het bedrijf verbonden dierenarts, de NVWA en de GGD.

Wanneer op een bedrijf aviaire influenza wordt vast gesteld, bepaalt de minister van LNV welke maatregelen er genomen moeten worden. De NVWA coördineert en voert de maatregelen uit.

De GGD wordt geïnformeerd op het moment dat er een verdenking is en wisselt informatie uit met de NVWA over de situatie op het bedrijf. In geval van een ruiming, geeft de GGD voorlichting aan de houder en eventuele gezinsleden en / of werknemers en biedt hen een influenzavaccinatie aan. Wanneer het gaat om een hoogpathogene variant wordt ook profylaxe aangeboden aan degenen die in direct contact komen of zijn geweest met de dieren, waaronder ook de ruimers. Wanneer er een persoon met griepachtige klachten is, zal de GGD monsters afnemen voor diagnostiek. Aansluitend houdt de GGD in de dagen na de ruiming contact met de houder en andere werknemers om te monitoren of er gezondheidsklachten ontstaan.