Ziekte van Weil
Leptospirose in Twente
Hantavirus
Landelijk opvallende zoönosen meldingen

logo T.N.Z.Sinds 2014 wordt er landelijk een toename gezien van het aantal meldingen van mensen met Leptospirose (ziekte van Weil). In deze nieuwsbrief doen wij verslag van een dergelijke melding.
Een aantal jaren geleden heeft het TNZ verslag gedaan van een melding van Hantavirus, graag willen we u laten zien welke aantallen meldingen er tot op heden in Nederland en Twente zijn.
Verder delen we kennis uit zowel humane als veterinaire gezondheidszorg met betrekking tot zoönosen.

SAVE THE DATE!

SYMPOSIUM “OVER DE GRENZEN”
Maandag 26 maart 2018, vanaf 17:00 uur

Ziekte van Weil

De ziekte van Weil is een zoönose die veroorzaakt wordt door de nauw aan elkaar verwante serotype Icterohaemorrhagiae en Copenhageni. Beiden komen uit de serogroep Icterohaemorrhagiae en worden overgedragen door ratten. De ziekte van Weil is een ernstige vorm van leptospirose. In principe kan bijna elk zoogdier een infectiebron of een reservoir vormen. Maar vooral knaagdieren en insecteneters vormen een reservoir.

Leptospiren leven in de nieren van hun natuurlijke gastheren en worden uitgescheiden met de urine. Ze kunnen geruime tijd buiten het lichaam van hun gastheer overleven, vooral als de condities gunstig zijn (warme en vochtige omgeving)Besmetting van de mens vindt plaats door direct contact met de (dode of levende) gastheer of zijn urine. Of indirect via de met urine gecontamineerde omgeving. Denk dan aan oppervlaktewater en modder. Bijvoorbeeld door zwemmen, watersport te beoefenen, vissen of tuinieren.

Transmissie vindt plaats door directe overdracht via wonden, slijmvliezen en mogelijk weke huid. Intensief contact met dieren is een potentieel risico tot besmetting en contact met zieke en besmette honden wordt dan ook afgeraden.

Afgelopen juli kreeg GGD Twente een melding van de ziekte van Weil bij een hond. Een dierenarts meldde deze bij ons. De hond heeft waarschijnlijk gezwommen in een watertje. Eigenaar van de hond is met de hond naar de dierenarts gegaan. De hond is daar opgenomen geweest en heeft een infuus gehad. Toen de hond weer thuis was heeft de eigenaresse de hond nog een paar dagen verpleegd. Ze is toen ook in aanraking geweest met het lichaamsvocht van de hond. De hond was heel erg ziek en liet zijn urine lopen. De hond is toen weer naar de dierenarts gebracht en 10 dagen later is hij overleden. De diagnose ziekte van weil is pas gesteld toen de hond al overleden was. De eigenaresse heeft dus geen voorzorgsmaatregelen kunnen nemen bij de verzorging van haar hond. Er is voor gekozen om de eigenaresse en de eigenaar niet profylactisch te behandelen tegen de ziekte van Weil.

Wat zou u doen wanneer een hond in uw praktijk de ziekte van Weil blijkt te hebben? Neemt u dan extra maatregelen?

Begin augustus kreeg de GGD een melding binnen van het AMC, een vrouw met leptospirose. Het bleek te gaan om de eigenaresse van de hond. Eerste ziektedag is 31 juli. De klachten waren hoofdpijn, misselijkheid en braken. Mevrouw blijkt 20 weken zwanger te zijn. De PCR op plasma is positief en er is materiaal op kweek gezet.

Wat zou u doen als huisarts? Zou u meteen aan de ziekte van Weil denken? Welke vragen zou u mevrouw stellen?

Bij verdere navraag blijkt dat mw. geen andere blootstelling aan eventuele bronnen heeft gehad. Ze heeft wat onkruid uit haar tuin gehaald maar de kans is klein dat daar ratten komen. Mw. is niet in aanraking geweest met natuurwater of andere mogelijke bronnen. De hond is alleen gevaccineerd op de leeftijd van 9 weken. De andere vaccinaties heeft hij gemist. De PCR op urine is positief. Typering a.d.h.v. het bloed duidt op Bratislava of Copenhageni. Deze diagnostiek is gedaan bij idexx in Hoofddorp. Epidemiologisch gezien lijkt het waarschijnlijk dat mevrouw via haar hond besmet is geraakt. Zeker omdat zij geen duidelijke blootstelling aan andere mogelijke bronnen heeft gehad. Bevestiging is echter niet mogelijk omdat er geen materiaal meer is van de overleden hond. Bij onderzoek van een tweede serum van mevrouw blijken er geen antistoffen te zijn aangemaakt. Dit kan te maken hebben met het feit dat er al snel na het stellen van de diagnose, antibiotica is gegeven.

Is er goed gehandeld? Hadden er dingen anders gekund?

Leptospirose in Twente

Landelijk wordt sinds 2014 een toename gezien van het aantal meldingen van patiënten met Leptospirose. In Twente was er ook een toename, maar niet in dezelfde mate als landelijk werd gezien:
tabel: 2011 1, 2012 2, 2013 2, 2014 4, 2015 3, 2016 1, 2017 2
Het aantal voor 2017 is t/m 30-11-2017.

Hantavirus

Het aantal meldingen van Hantavirusinfecties in Nederland is toegenomen. De meeste meldingen in 2017 zijn afkomstig uit de regio’s Twente en Zuidoost-Brabant. In 2014 was kwam het overgrote deel van de meldingen uit Twente, dit is in 2017 niet meer het geval. In 2017 zijn landelijk ook 3 meldingen gedaan van personen met een Hantavirusinfectie, veroorzaakt door het Seoelvirus. Dit type Hantavirus komt voor bij sommige ratten. Tot op heden is het Seoelvirus nog niet aangetoond bij wilde ratten in Nederland. Brononderzoek heeft geleid naar populaties tamme ratten, waar het virus ook bij is aangetoond. Ook in Duitsland is er in 2017 een toename van het aantal Hantavirusinfecties waargenomen.

Bronnen: RIVM, GGD Twente

Landelijk opvallende zoönosen meldingen

Onderstaande teksten zijn gebaseerd op informatie vanuit het Signalerings Overleg Zoönosen. De zoönose signalen worden samengesteld door het Signalerings Overleg Zoönosen.
Overname van teksten is alleen mogelijk na contact met mathilde.uiterwijk@rivm.nl en met bronvermelding.
Voor aanmelden op de emailservice van de maandelijkse overzichten zoönosen en voor meer informatie, signalen.rivm.nl.

Psittacose door aangekochte papegaaien

Een huisarts in de regio GGD Fryslân stelde met behulp van serologie de diagnose Psittacose bij een 7-jarig kind. Als zeer waarschijnlijke bron werden vogels genoemd die in 3 maanden ervoor door de grootouders van de patiënt zijn gekocht. Na plaatsing in hun volière zijn de papegaaien overleden en in de daaropvolgende 3 maanden stierven ook enkele andere vogels. De dierenarts vermoedde Psittacose op basis van sectie op deze papegaaien. De dierenarts heeft vervolgens de houders gewezen op het feit dat Psittacose een zoönose is en bij de opmerking dat het kind hoestte geadviseerd met het kind naar de huisarts te gaan. Het kind is behandeld met antibiotica en hersteld. De moeder en grootouders van het kind zijn preventief met antibiotica behandeld. Bij de overgebleven vogels in de volière werd gestart met antibiotica gedurende 6 weken. Na de laatste gift werden de vogels onderzocht door de NVWA.

Bronnen: RIVM, NVWA, GGD Fryslân

Twee clusters van koepokken bij kittens en mensen

Een dierenarts uit GGD regio Utrecht meldde in oktober een cluster van koepokken. Twee kittens hadden sinds enkele weken verdachte huidafwijkingen. De kittens waren afkomstig uit een nest uit het oosten van het land waarvan de moederpoes vaak muizen vangt. Ze had dode muizen aan de kittens gegeven om mee te spelen. De eigenaar van de kittens en een kind in het gezin ontwikkelden eveneens huidafwijkingen. Diagnostiek (PCR) op blaasjesvocht van kitten, ouder en kind waren positief voor orthopoxvirus.

Een tweede cluster deed zich ongeveer tegelijkertijd voor in de regio van GGD IJsselland. Ook hier betrof het een gezin waarvan ouder en kind laesies ontwikkelden, nadat van 2 nesten 10 van de totaal 12 kittens ziek geworden waren. Blaasjesvocht van een laesie van het kind was positief in de PCR voor orthopoxvirus en met sequentie-analyse getypeerd als koepokkenvirus. PCR-diagnostiek op blaasjesvochtmonsters van een kitten en de ouder waren eveneens positief voor orthopoxvirus.

Koepokken (cowpox) wordt veroorzaakt door infecties met het koepokken-virus, dat behoort tot de familie van de Poxviridae, genus Orthopoxvirus. Het virus heeft een breed gastheerspectrum en is aangetoond bij katten, maar ook runderen, paarden, honden en dierentuindieren. Hoewel de naam anders doet vermoeden, komen infecties bij runderen echter zelden voor. Het reservoir voor koepokken bestaat uit knaagdieren, van waaruit het direct of indirect (meestal via katten) op mensen wordt overgedragen. Kittens zijn vaak de bron, omdat zij gevoerd worden met de knaagdieren die moederpoes vangt en door hun nog onvoldoende ontwikkeld immuunsysteem gevoeliger zijn voor infecties. Het wordt zelden van mens-op-mens overgedragen. Het merendeel van de koepokken geneest spontaan na enkele weken.

Bronnen: GGD regio Utrecht, GGD IJsselland, RIVM, Dierenkliniek de Bilt, WKZ/ UMC-Utrecht, Isala Zwolle.

 

 
Invalid Input
Invalid Input
Invalid Input